Scholen, kinderopvanginstellingen en gemeenten hebben belang bij een gezamenlijke huisvesting van scholen, kinderopvang en andere functies. De gemeente kunnen daarbij een stimulerende rol vervullen: door het bouwen van multifunctionele accommodaties en actief mee te werken aan het gebruik van onderwijsruimte door kinderopvang. De WPO werpt echter voor gemeenten belemmeringen op om deze rol in te vullen.

In deze notitie wordt uitgelegd welke belemmeringen dat zijn en hoe deze eventueel opgelost kunnen worden.

 

Integratie van onderwijs, kinderopvang en andere voorzieningen

Veel gemeenten, kinderopvanginstellingen en scholen willen onderwijs en kinderopvang integreren in één gebouw. Door de motie Van Aartsen-Bos (2005) en de daaruit voortvloeiende wijziging van de Wet Primair Onderwijs (hierna: WPO) zijn veel basisscholen gaan samenwerken met de kinderopvang. Daarbij moeten kinderen vaak eerst naar de buitenschoolse opvang (BSO), dan naar school, dan overblijven, dan weer in de klas en dan weer naar de BSO. Gezamenlijke huisvesting voorkomt dat kinderen de hele dag onderweg zijn van de ene plek naar de andere en maakt het organiseren van aansluitende opvang eenvoudiger.

 

Veel scholen gaan nog een stap verder en werken samen in een Brede School. Ook hierbij heeft het de voorkeur de voorzieningen te huisvesten in een gezamenlijk gebouw, een ‘multifunctionele accommodatie’ (hierna: MFA). In brede scholen creëren onderwijs, sport en cultuur een samenhangend aanbod voor kinderen. Meestal verbinden zij daarbij ook verschillende vormen van onderwijs en jeugdzorg. Daarnaast proberen Brede Scholen leerachterstanden te verminderen door tussen peuterspeelzalen, crèches en onderwijs een doorgaande leerlijn te realiseren. Het doel van dit alles is door goede samenwerking de zorg voor kinderen efficiënter te maken en de ontwikkelingskansen van kinderen te vergroten. Het rijk stimuleert de ontwikkeling van brede scholen door allerlei subsidies.[1] Het aantal ‘brede schoolgebouwen’ groeit dan ook gestaag: Er zijn nu ongeveer 1600 brede scholen in het primair onderwijs en 500 brede scholen in het voortgezet onderwijs.

Bijzonder eigendomssituatie scholen

De WPO kent aan scholen het recht toe op eigendom van het schoolgebouw, de gemeente financiert. Omdat de meeste scholen gebruik maken van dit recht, zijn veel schoolgebouwen eigendom van de school. Het komt echter ook voor dat scholen afzien van eigendom en de gemeente de eigenaar wordt. Bij MFA’s komt deze constructie vaker voor om het beheer eenvoudig te houden en de verplichte oprichting van een VVE te vermijden.

Wettelijke randvoorwaarden verhuur onderwijsruimten

Voor het geval dat het schoolgebouw eigendom is van de school heeft de wetgever een aantal beperkende regels opgelegd voor verhuur van onderwijsruimten:

  1. Gemeente en scholen hebben het zogenaamde ‘vorderingsrecht’: de verhuur van een ruimte eindigt indien de school of de gemeente de ruimte weer nodig hebben ‘zonder dat enige schadeplicht ontstaat’. Het vorderingsrecht kan buiten werking worden gesteld door het kinderopvanggedeelte aan de onderwijsbestemming te ‘onttrekken’ door een ‘verklaring einde gebruik’. Hierbij heeft het schoolbestuur de keuze om het kinderopvang gedeelte in eigendom te houden of over te dragen aan de gemeente. Indien het schoolbestuur eigenaar blijft van de onttrokken huisvesting hebben gemeente en school na 3 jaar opnieuw het recht om de ruimte te vorderen.[1]  De WPO sluit dus huurbescherming voor een huurder van leegstaande onderwijsruimten uit.
  2. Voor verhuur van leegstaande onderwijsruimten aan derden is voorafgaand toestemming nodig van de gemeente, anders is de verhuur nietig.[2] Dit geldt ook voor gebouwdelen die aan de onderwijsbestemming zijn onttrokken. De WPO beperkt dus de vrijheid van handelen van een schoolbestuur inzake verhuur.

Daarnaast blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State dat gemeenten in principe geen vergoeding mogen vragen aan scholen die leegstaande onderwijsruimten willen verhuren. Zie in dit verband de uitspraak Raad van State ‘gemeente Brunssum vs. Movare’ in de bijlage bij deze notitie. Scholen mogen zelf de huurprijzen bepalen voor de verhuur van leegstaande onderwijsruimten en hoeven hiervan dus meestal niets af te dragen aan de gemeente. Deze spelregel geldt mijns inziens ook indien de ruimte aan de onderwijshuisvesting is onttrokken, maar wel eigendom is gebleven van de school.[1]

 

In het geval dat het schoolgebouw eigendom is van de gemeente dient deze bij verhuur aan kinderopvang zijn minimaal de kostprijsdekkende huur te vragen, omdat commerciële instellingen door gemeentes niet mogen worden gesubsidieerd. [2]

 

Wettelijke randvoorwaarden bij verhuur door gemeenten aan kinderopvang

Sinds de invoering van de Wet Kinderopvang (2005) is kinderopvang een bedrijfstak en dus commercieel. Gemeenten moeten daarom bij verhuur aan kinderopvanginstellingen kostprijsdekkende huren vragen. Bij nieuwbouw leidt dit tot vaak tot hogere huren dan kinderopvanginstellingen kunnen dragen.

 

Belemmeringen bij de integratie van huisvesting

Er is een tegenstelling tussen de toegestane huurprijs bij nieuwbouw en de huurprijs bij verhuur van ruimten in bestaande onderwijsgebouwen. Aan de ene kant mogen gemeenten bij nieuwbouw kinderopvang niet subsidiëren: ze moeten (hoge) kostprijsdekkende huren vragen. Aan de andere kant mogen gemeenten vaak geen vergoeding vragen aan scholen die leegstaande onderwijsruimten willen verhuren.

 

Deze tegelstelling hindert het realiseren van geïntegreerde voorzieningen van kinderopvang en onderwijs. Scholen kunnen onderwijsruimten voor relatief lage tarieven verhuren aan kinderopvang. Dit drukt de markthuur voor kinderopvangruimten. Bij nieuwbouw hebben gemeenten daarom moeite geïntegreerde huisvesting te realiseren voor kinderopvang tegen een acceptabel tarief. Bij bestaande onderwijsgebouwen zijn gemeenten bovendien huiverig om ruimten meerdere jaren in gebruik te geven aan kinderopvang. De financiële risico’s voor het ‘weggeven’ van deze onderwijshuisvesting (nl. bijbouwen bij tekorten) komt volledig bij de gemeenten te liggen zonder dat hier opbrengsten tegenover staan. Dit maakt het lastig om te komen tot stimulerend huisvestingsbeleid voor integratie van kinderopvang en onderwijs.

 

Oplossing voor belemmeringen

De regelgeving maakt het voor gemeentes dus lastig om te komen tot stimulerend huisvestingsbeleid voor integratie van kinderopvang en onderwijs. Om gemeenten een actievere rol te laten vervullen dient een oplossing gevonden te worden voor de hiervoor genoemde belemmeringen.

 

Geen vergoeding voor gemeenten voor verhuur leegstaande onderwijsruimten door scholen

Dit probleem kan worden opgelost door niet de scholen maar de gemeentes de ruimtes te laten verhuren. Hiervoor dient men het beoogde kinderopvanggedeelte aan de onderwijsbestemming te onttrekken en in eigendom over te dragen aan de gemeente.[3] Een VVE oprichten is daarbij niet noodzakelijk.[4]

 

Een alternatief is om met de schoolbesturen een convenant af te sluiten waarbij de gemeente een vastgesteld bedrag ontvangt als compensatie voor de financiële risico’s die zij loopt bij het ‘weggeven’ van onderwijshuisvesting.

 

Te lage markthuur door goedkope verhuur van leegstaand onderwijsruimten

Dit knelpunt kan worden opgelost door met scholen en kinderopvanginstellingen een uniform huurprijsbeleid af te spreken om zeer lage huurprijzen te voorkomen. Dit verhoogt de verhuurbaarheid en exploiteerbaarheid van nieuw gebouwde kinderopvangruimten.



[1] Art. 110 WPO, lid 5 t/m 7

[2] Ook in de Algemene Subsidieverordening is subsidiëring van commerciële organisaties een weigeringsgrond.

[3] Art. 110 WPO, lid 1 t/m 4

[4] Het onttrekken van onderwijsruimte conform Art. 110 WPO is geen ‘splitsing’ in de zin van Art. 112, titel 9 (appartementsrecht) BW



[1]   Art. 107 WPO – ‘Vorderingsrecht’

Art. 108 WPO – ‘Verhuur en medegebruik gebouw of terrein’

Art. 110 WPO – ‘Einde gebruik gebouw of terrein door een niet door de gemeente in stand gehouden school’

[2] Art. 108 WPO – ‘Verhuur en medegebruik gebouw of terrein’



[1] Bijvoorbeeld door het subsidiëren van combinatiefuncties (Impuls brede scholen, sport en cultuur) of doordat gemeenten bijdragen kunnen ontvangen voor de investeringskosten voor het realiseren van brede scholen.

Inhoudsopgave