Wat is een IKC?

“Een Integraal Kindcentrum (IKC) is een voorziening voor kinderen van ten minste 0 tot 12 jaar, waar zij gedurende de dag komen om zich te ontwikkelen, te spelen en te leren. Het centrum biedt kinderen op vraag van de ouders een uitgebreid dagprogramma gedurende het hele jaar. Een IKC is een voorziening waarin ten minste organisaties voor onderwijs, kinderopvang, peuterspeelzaalwerk en buitenschoolse opvang in één organisatorische eenheid zijn samengevoegd onder één aansturing. Er is dus altijd sprake van één nieuwe organisatie[1]

Meerdere partijen zetten zich in voor het stimuleren van initiatieven voor IKC’s. Het Kinderopvangfonds, De Kopgroep Wethouders voor Kindcentra, de PO-raad en de VNG zijn slechts enkele voorbeelden. Deze partijen publiceren veel onderzoeken, rapporten en andere informatie. Het is door de hoeveelheid en verdeeldheid van deze informatie lastig om een goed beeld te krijgen van de verschillende aspecten van IKC’s.

Deze themapagina wil deze informatie ordenen en de verschillende aspecten en initiatieven voor IKC’s toelichten. Het thema IKC is daartoe onderverdeeld in zeven deelthema’s.

  • Noodzaak IKC’s
  • IKC’s in Nederland
  • Ontstaan van IKC-gedachte
  • Belemmeringen
  • Initiatieven
[1] INFO Relatie met omgeving – Integraal Kindcentrum. VKO, 2012.

Nut & Noodzaak IKC

De nut en noodzaak van een IKC is gelegen in de overtuiging dat een goede pedagogische begeleiding in de  periode van 0-6 jaar de basis legt voor een succesvolle school- en maatschappelijke carrière. De wetenschap bevestigt dat de ontwikkeling van het potentieel dat ieder mens bij geboorte heeft vraagt om een stimulerende omgeving. Deze pagina bespreekt enkele wetenschappelijke onderzoeken die het pleidooi voor de ontwikkeling van IKC’s ondersteunen.

Onderwijskundige voordelen

Uit wetenschappelijk onderzoek van De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)[1] blijkt dat de ontwikkeling van basisvaardigheden piekt vóór het vijfde levensjaar. In deze periode leggen kinderen de basis voor het ontwikkelen van taal- rekenen en sociale vaardigheden. De welbekende ‘Heckman Curve[2]’ laat zien dat de ‘return on investment’ bij het investeren in jongere kinderen hoog is. Elke euro die in de vroege ontwikkeling van kinderen wordt gestoken, levert de samenleving uiteindelijk het viervoudige op.

Edward Mehuish heeft een neurowetenschappelijke dimensie aan de Heckmancurve toegevoegd[3]. Hij laat zien dat overheden het minst investeren in de eerste levensjaren van een mens, terwijl dit gezien het preventieve karakter van deze investeringen, het meeste rendement kan opleveren.

afbeelding1
Figuur 1: De Heckman Curve                                                          Figuur 2: Het verschil tussen investering en ontwikkeling

Beleidsmatige voordelen

De United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) heeft onderzoek gedaan naar de verschillen in landen in integratie van ‘early childhood care and education (ECCE)’ in het onderwijs. Gebaseerd op ervaringen uit landen waar deze integratie is gerealiseerd formuleert het onderzoek enkele (potentiële) voordelen.

Het proces van integratie vormt een kans om de huidige praktijk van opvang en onderwijs ter discussie te stellen. Daarbij kunnen nieuwe ideeën, concepten en theorieën in praktijk worden gebracht. Beleid voor ECCE en onderwijs wordt op elkaar afgestemd. De realisatie van een sterk ECCE systeem dat op gelijke voet staat met onderwijs betekent een convergentie in opleidingsniveau, loon en andere arbeidsvoorwaarden. Daarnaast ontstaat er een positieve verandering in de maatschappelijke perceptie van ECCE en in de erkenning van de pedagogische waarde.

[1] INFO Relatie met omgeving – Integraal Kindcentrum. VKO, 2012. [2] Zicht op de brede school 2006-2007. M. Grinten & F. Studulski, 2007. [3] Advies van de Commissie Dagarrangementen. Commissie Dagarrangementen, 2002.

IKC’S in Nederland

Ongeveer 15% van de scholen in Nederland noemt zich een IKC. Echter voldoet slechts 1,5% van de scholen aan vier basiscriteria voor een IKC. Dit blijkt uit de twee jaarlijkse enquête van het ‘Jaarbericht Brede Scholen en Integrale Kindcentra’ onder alle basisscholen in Nederland. Dit onderzoek maakt duidelijk dat de ontwikkeling van IKC’s in Nederland nog een lange weg te gaan heeft. Deze pagina beschrijft de resultaten van dit onderzoek.

Het ‘Jaarbericht Brede Scholen en Integrale Kindcentra’[1] meet de ontwikkeling van brede scholen in Nederland. Vanaf 2013 wordt voor ook de ontwikkeling van IKC’s meegenomen.

De respons op de enquête is hoog, waardoor de uitkomsten representatief zijn voor de werkelijkheid. Voor het onderzoek zijn alle 6.427 basisscholen in Nederland benaderd om een vragenlijst in te vullen. 2.466 scholen (37%) hebben de vragenlijst ingevuld. In de onderstaande tabellen worden de uitkomsten van het onderzoek ten aanzien van IKC’s besproken.

Hoeveel scholen noemen zich een IKC?

Aantal Percentage
Wij zijn een integraal kindcentrum 353 15%
Wij zijn een brede school 713 29%
Wij zijn bezig ons tot een brede school te ontwikkelen 570 23%
Wij zijn geen brede school en ook niet bezig om ons
tot een brede school te ontwikkelen
812 33%
Totaal 2.466 100%

Tabel 1: Percentage scholen in het basisonderwijs dat zichzelf als brede school of IKC ziet.

Hoeveel scholen zijn daadwerkelijk een IKC?

353 (15%) scholen duiden zichzelf aan als IKC. Echter voldoen slechts 1,5% (36) van de 2.466 scholen in Nederland aan vier basis criteria voor een IKC. Het jaarbericht classificeert een school als een IKC als deze voldoet aan de volgende vier criteria:

  1. De school is gedurende de hele dag open;
  2. De school biedt onderwijs, opvang, opvoeding, ontspanning en ontwikkeling zodat kinderen er kunnen leren, spelen en ontwikkelen;
  3. De school kenmerkt zich door een doorgaande pedagogische leerlijn als gevolg van integratie van onderwijs en opvang;
  4. De operationele sturing van de school vindt centraal plaats.

Hoeveel scholen zijn bezig met de ontwikkeling van een IKC?

Het schema geeft verder inzicht in de ambities van de overige 317 scholen ten aanzien van de vier gestelde criteria (de aantallen in de tabel tellen op tot 292, er is vermoedelijk een non-respons geweest van 25 scholen).

149 wil aan vier criteria gaan voldoen 143 wil (nog) niet aan vier criteria voldoen
30  voldoen aan drie criteria 10 voldoen aan drie criteria
56  voldoen aan twee criteria 45 voldoen aan twee criteria
42 voldoen aan één criteria 51 voldoen aan één criteria
21  voldoen aan geen criteria 37 voldoen aan geen criteria
[1] Jaarbericht Brede Scholen 2013. Regioplan in opdracht van het ministerie van OCW, 2013.

Ontstaan van IKC-gedachte

Een IKC is in organisatorisch opzicht het vervolg op de brede school. In een brede school hoeft ondanks de gemeenschappelijke voorzieningen geen sprake te zijn van een krachtige pedagogische omgeving. Gescheiden organisatorische regels, belangen en verantwoordingsmechanismen houden de organisatorische verdeling tussen instellingen in stand. In het IKC moet niet langer het voorzieningenstelsel, maar het kind centraal staan[1]. Deze pagina beschrijft de ontwikkeling van brede scholen naar de IKC-gedachte.

Grenzen aan Brede Scholen

De brede school komt in de jaren 90 tot stand. Het doel van de brede school is in eerste instantie om onderwijsachterstanden te bestrijden. Externe partners als kinderopvang, peuterspeelzaalwerk, maatschappelijk werk en sociaal cultureel worden als partners betrokken bij scholen[2].

Na het jaar 2000 wordt het begrip dagarrangement geïntroduceerd. In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken verricht de Comissie Dagarrangementen in 2001 onderzoek naar de ontwikkeling van dagarrangementen[3]. Een dagarrangement omvat voorschoolse-, tussenschoolse- en naschoolse opvang rondom de schooltijden. Brede scholen bieden tijdens deze opvangmomenten culturele, sportieve en educatie activiteiten aan.

In 2007 worden scholen door de motie Van Aartsen-Bos verplicht om kinderopvang aan te bieden als ouders hier naar vragen[4]. Kinderopvang krijgt daardoor een belangrijke status in de samenwerking met onderwijs.

Gaandeweg wordt de brede school een ontmoetingsplaats voor kinderen en volwassenen. De brede school biedt activiteiten van bijvoorbeeld wijk- en buurtverenigingen of cursussen aan.

De ontwikkeling van brede scholen leidt op het gebied van huisvesting tot clustering. Onderwijs, kinderopvang, peuterspeelzalen, sport- en buurtfaciliteiten worden gehuisvest in één gebouw: de multifunctionele accommodatie (MFA). In de praktijk blijkt dat binnen deze MFA’s de samenwerking tussen instellingen beperkt is. Kinderen hebben binnen de brede school te maken met veel verschillende leerkrachten en pedagogisch medewerkers. Met de brede school is een wirwar van verschillende voorzieningen voor kinderen van 0 tot 12 jaar ontstaan[5].

IKC als oplossing

Het onderwijs wil de integratie van voorzieningen voor kinderen bevorderen. In 2008 start het initiatief ‘Andere Tijden in Opvang en Onderwijs’[6]. Dit initiatief wil een einde maken aan de versnippering van de schooldag en werken aan een kwalitatief hoogwaardig aanbod van voorzieningen voor kinderen en hun werkende ouders. In 2010 pleit de ‘Taskforce Kinderopvang’[7] voor een nauwere samenwerking tussen onderwijs, opvang en peuterspeelzaalwerk. Daarbij wordt het begrip IKC voor het eerst geïntroduceerd[8].

In 2010 wordt de Wet OKE in de Tweede Kamer aangenomen[9]. Het doel van de wet is om de kwaliteit van de peuterspeelzalen te verbeteren en de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren (VVE: Voor- en Vroegschoolse Educatie). De Wet OKE verklaart een groot deel van de kwaliteitsregels voor de kinderopvang ook van toepassing op het peuterspeelzaalwerk. Om de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren krijgen gemeenten de regierol bij de ontwikkeling een VVE-aanbod voor alle jonge kinderen met een risico op een taalachterstand.

De Wet OKE is door gemeenten aangegrepen om in korte tijd kwaliteitseisen en inhoudelijke doelstellingen van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang meer op elkaar af te stemmen.  De Wet OKE heeft ertoe geleid dat er binnen peuterspeelzalen een kwaliteitsslag gemaakt is, de voorschoolse educatie is geïntensiveerd, de kwaliteit van vve is versterkt en peuterspeelzalen en kinderopvang meer naar elkaar zijn toegegroeid.

De Wet OKE blijkt in de praktijk onvoldoende voor een volledige integratie van onderwijs, kinderopvang en peterspeelzalen. Al in 2010 pleiten de VNG en G32 in een brief aan de Tweede Kamer voor integratie van alle voorziening voor kinderen van nul tot vier jaar. In plaats van de tweedeling tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk willen gemeenten één pedagogisch hoogwaardige publiek-private opvang voor alle kinderen van nul tot vier jaar, die op termijn voor een deel gratis moet zijn. De roep om verdere integratie van voorzieningen voor kinderen in IKC’s wordt na 2010 steeds groter.

In 2011 wordt de Kopgroep Wethouders voor Kindcentra opgericht[10]. Een groeiende groep wethouders sluit zich aan bij dit initatief. De Kopgroep wil niet alleen peuterspeelzalen en kinderopvang integreren, maar ook het basisonderwijs daaraan toevoegen. De aanstaande decentralisatie van Jeugdzorg ziet de Kopgroep als kans om het versnipperde stelsel voor kinderen van 0 tot 12 jaar te transformeren naar zorg op maat voor elk kind. De Kopgroep vraagt in 2012 per brief aan de Tweede Kamer om IKC-vorming te bevorderen en te borgen[11].

De PO-Raad voert in 2012 tevens een actieve lobby. Zo heeft de PO-Raad de politieke partijen in aanloop naar de verkiezingen van september 2012 gevraagd om de schotten tussen de stelsels voor onderwijs en opvang (wat betreft CAO’s, huisvesting en toezicht) op te heffen.

Teleurstelling

In het regeerakkoord ‘Bruggen Slaan’ uit 2012 worden IKC’s als een wenselijke ontwikkeling benoemd. Het kabinet blijkt echter hier iets anders onder te verstaan dan de scholen en gemeenten. Op 1 december 2013 wordt in een kabinetsvisie ‘Een bredere basis voor peuters’ een verdere harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderopvang aangekondigd[12]. In de brief kondigen de bewindslieden Lodewijk Asscher (SZW) en Sander Dekker (OCW) onder meer aan de pedagogische kwaliteit van voorschoolse voorzieningen te versterken en de overgebleven knelpunten voor de harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderdagverblijven zoveel mogelijk weg te nemen. Voor werkende ouders komt er één financieringsstructuur voor via de kinderopvangtoeslag. Ouders krijgen recht op kinderopvangtoeslag voor opvang in de voorschoolse voorziening van hun keuze: kinderdagverblijf en/of peuterspeelzaal.

Het onderwijsveld reageert teleurgesteld op de voorgestelde maatregelen[13]. De PO-Raad vreest dat het onderscheid in financiering voor werkende en niet-werkende ouders ertoe leidt dat minder kinderen naar een voorschoolse voorziening gaan. Daarnaast heeft de voorgestelde harmonisatie geen betrekking op voorzieningen voor VVE. Dit staat de optimalisatie van het IKC in de weg en leidt tot segregatie in de kwaliteit van VVE. Ook de VNG heeft bezwaar tegen het gepresenteerde voorstel[14]:

Het belangrijkste verschil van inzicht is dat gemeenten inzetten op de ontwikkeling van alle peuters als voorbereiding op de basisschool, terwijl het kabinet de kinderopvang als arbeidsparticipatie instrument voorop zet en daarbij onderscheid maakt tussen peuters van werkende ouders en peuters van niet-werkende ouders”.

Op 17 juni 2014 is een eerste uitwerking van de kabinetsvisie aangekondigd[15]. In de uitwerking wordt vastgehouden aan de oorspronkelijke plannen om peutervoorzieningen te harmoniseren, waarbij het onderscheid tussen werkende en niet werkende ouders blijft.

In het najaar van 2014, op 12 september, presenteert de VNG hun nadere uitwerkingsvoorstel voor de verdere uitwerking van het VNG-peuterscenario. Met dit voorstel zouden alle peuters in Nederland (2,5 tot 4 jaar) vanaf 2016 een basisaanbod van twee dagdelen per week in een voorschoolse voorziening ontvangen. Dit noemt de VNG het ‘ontwikkelrecht’[16].

Het Bestuurlijk Overleg met minister Asscher en staatssecretaris Dekker over het VNG-peuterscenario verloopt echter teleurstellend. De bewindslieden stellen dat het Rijk alleen geld beschikbaar moet stellen voor peuters van ouders die werken en voor peuters met een taalachterstand. Voor de resterende groep peuters moeten ouders zelf wat regelen of moet de gemeente geld beschikbaar stellen[16].

Deregulering en IKC’s

Staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) start in het schooljaar 2015-2016 een pilot waarin wordt geëxperimenteert met ‘regelluwe scholen’.  In deze pilot krijgen excellente scholen meer ruimte om hun onderwijs op hun eigen manier te organiseren. Deze deregulering biedt bovendien uitkomst voor de ontwikkeling van IKC’s (zie ook het tabblad ‘belemmeringen’). Mede vanwege dit voordeel pleitten de PO-Raad en de oppositiepartijen (CDA, D66, SP en SGP) er voor om de pilot niet alleen tot excellente scholen te beperken.

Op 16 juni 2015 verwerpen de regeringspartijen het voorstel van de PO-raad en de oppositiepartijen: experimenteren met minder regels blijft voorlopig alleen voorbehouden aan ‘excellente scholen’.

[1] INFO Relatie met omgeving – Integraal Kindcentrum. VKO, 2012. [2] Zicht op de brede school 2006-2007. M. Grinten & F. Studulski, 2007. [3] Advies van de Commissie Dagarrangementen. Commissie Dagarrangementen, 2002. [4] Motie Van Aartsen/Bos. Kamerstukken II, 2005-2006, 30 300, nr. 14. [5] Pedagogisch kader voor het kindcentrum. J. Doornenbal, 2012. [6] Andere Tijden in Opvang en Onderwijs is een initiatief van VOS/ABB, de MO-groep Kinderopvang, het Kinderopvangfonds en BoinK. [7] De Taskforce Kinderopvang/ Onderwijs is is een initiatief van de MO-groep Kinderopvang en het Kinderopvangfonds. De Taskforce bestaat verder uit belangrijke partijen in de kinderopvang, primair onderwijs, voortgezet onderwijs en werkgevers- en werknemersorganisaties. [8] Kinderopvang/Onderwijs – Dutch Design. Taskforce Kinderopvang, 2010. [9] Wet OKE. Eerste Kamer 31.989. 2010. [10] De Kopgroep Wethouders voor Kindcentra is een initiatief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het project Andere Tijden in Opvang en Onderwijs. Aan de basis van het initiatief liggen het rapport van de Taskforce Kinderopvang Onderwijs en de petitie van de VNG van januari 2010 aan de Tweede Kamer. [11] Lobbybrief Kopgroep Wethouders voor Kindcentra. 23 mei 2012. [12] Kabinetsvisie ‘een bredere basis voor peuters’. Staatssecretaris OCW en Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1 december 2013. [13] Plannen harmonisatie voorschoolse voorzieningen teleurstellend. PO Raad, 2 december 2013. [14] Alternatief scenario peuteropvang. VNG, 12 februari 2014. [15] Nadere uitwerking kabinetsbrief ‘een bredere basis voor peuters’ Staatssecretaris OCW en Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 17 juli 2014. [16] Uitwerkingsvoorstel peuterscenario. VNG, 12 september 2014. [17] Staatssecretaris wil experimenteren met meer vrijheid voor excellente scholen. PO-Raad, 6 november 2014.

Belemmeringen

De vormgeving van onderwijs, kinderopvang en peuterspeelzalen in één IKC wordt door regelgeving, financieringsvormen en arbeidsvoorwaarden bemoeilijkt. Het Kinderopvangfonds, de Kopgroep Wethouders voor Kindcentra, de PO-raad en de VNG vragen de rijksoverheid deze belemmeringen weg te nemen. Ook de Onderwijsraad pleit hiervoor in haar advies over grenzen aan kleine scholen[1]. De staatssecretaris erkent deze belemmeringen:

“Ik weet dat partijen die een integraal kindcentrum willen ontwikkelen regelmatig belemmeringen ervaren bij het integreren van onderwijs en opvang. De voorlopers laten zich daar niet door tegenhouden, maar geven aan dat het hen wel veel tijd en energie kost om die praktische problemen op te lossen.[2]

De PO-raad heeft inzichtelijk gemaakt welke belemmeringen in wet- en regelgeving de bestuurlijk-juridische vormgeving van IKC’s in de weg staan[3]. Er blijken zes hoofdbelemmeringen te zijn:

Ongelijke positie van het openbaar en het bijzonder onderwijs

De Wet Primair Onderwijs (WPO) bepaalt dat een stichting voor openbaar onderwijs zich slechts ten doel kan stellen openbaar onderwijs te geven[4]. Dit kan op twee manieren worden geïnterpreteerd: mag de school alleen maar onderwijs verzorgen (in tegenstelling tot andere activiteiten) of mag de school alleen maar openbaar onderwijs verzorgen (in tegenstelling tot bijzonder onderwijs)? De onduidelijkheid zorgt voor terughoudendheid van het openbaar basisonderwijs bij de vormgeving van een integraal kindcentrum.

De Wet Primair Onderwijs bepaalt tevens dat de gemeenteraad alle bestuurders of de gehele raad van toezicht benoemt bij de verzelfstandiging van een openbare school in een stichting. Een gelijkwaardige samenwerking tussen primair onderwijs (openbaar onderwijs), kinderopvang en peuterspeelzalen is hierdoor lastig vorm te geven.

Fiscale aspecten

Onder de huidige wetgeving kan een ongewenste fiscale last ontstaan. Bij de vorming van een IKC ontstaan situaties die de fiscale wetgever niet heeft voorzien. Samenwerking in een IKC leidt vaak tot de overname en/of het gebruikmaken van elkaars gebouwen, diensten en financiering. Fiscale vrijstellingen die bestaan voor onderdelen van onderwijs, kinderopvang en peuterspeelzaal bestaan (nog) niet voor een integraal kindcentrum.

Toezicht en handhaving

Er zijn aspecten op het gebied toezicht en handhaving die kostenverhogend kunnen werken en als onhandig of inefficiënt worden ervaren. Zo zijn er verschillen tussen basisonderwijs en kinderopvang/peuterspeelzalen met betrekking tot fysieke- en veiligheidsaspecten bij meervoudig gebruik van onderwijsruimtes. Daarnaast zijn zowel de GGD als de Onderwijsinspectie bevoegd om ten aanzien van VVE dezelfde doelgroep te monitoren.

Europeesrechtelijke aspecten

Europese wetgeving vormt twee belemmeringen voor IKC’s. De eerste belemmering is het aanbestedingsrecht. De grootste belemmering hierbij is het feit dat het primair onderwijs en de peuterspeelzaal worden gekwalificeerd als aanbestedende dienst terwijl de kinderopvang private partij is. Dit maakt de vormgeving van samenwerking complex. De tweede belemmeringen is de regelgeving op het gebied van staatssteun aan commerciële organisaties. Wanneer bij de vorming van een IKC één kinderopvangorganisatie wordt geselecteerd kan dit worden gezien als staatssteun. Deze organisatie wordt immers begunstigd ten opzichte van andere kinderopvang organisaties.

Personeel

De samenwerking tussen medewerkers van het basisonderwijs, de peuterspeelzaal en de kinderopvang geeft belemmeringen in arbeidsvoorwaardelijk en/of rechtspositionele zin. Naarmate de integratie tussen de organisaties voortschrijdt, nemen de belemmeringen toe. Naast het algemene arbeidsovereenkomstenrecht (incl. CAO-recht en aanverwante wet- en regelgeving) speelt daarin vooral de sectorale wet- en regelgeving een rol. De grootste belemmeringen rond personeel zijn gelegen in de verschillen tussen de CAO’s.

In de huidige situatie zal doorgaans worden gewerkt met drie CAO’s. Zo zijn er medewerkers die zowel werken conform de CAO onderwijs als de CAO’s welzijn en kinderopvang. Die contracten moeten apart worden afgesloten en apart per CAO worden geadministreerd. Daarenboven gelden per CAO andere voorwaarden, waardoor er steeds zal moeten worden gekeken wat op de medewerker van toepassing is.

Huisvesting

De WPO[5] (artikel 106 t/m 108) maakt het lastig om duurzame afspraken te maken met kinderopvangorganisaties en peuterspeelzalen over gebruik van ruimten in (delen van) een schoolgebouw. Zonder toestemming van de gemeente (het college) is een huurovereenkomst die het bevoegd gezag met een derde heeft afgesloten nietig. Toestemming van de gemeente (het college) geeft echter ook geen volledige zekerheid. De gemeente kan op haar besluit terug komen en de verhuurde ruimten vorderen wanneer deze nodig is voor onderwijs (vorderingsrecht).

[1] Grenzen aan kleine scholen. Onderwijsraad, 2013. [2] Kamerbrief Jaarbericht Brede Scholen, 1 juli 2014. [3] Advies ‘Belemmeringen in bestuurlijk-juridische vormgeving van kindcentra’. Naar oplossingen in wet- en regelgeving. PO Raad, 2013. [4] Wet Primair Onderwijs, Artikel 48, eerste lid. [5] Wet Primair Onderwijs, Artikel 106-108.

Initiatieven

Het Kinderopvangfonds

Het Kinderopvangfonds is in 2006 op initiatief van de Stichting Kintent opgericht. De bestuursleden van Het Kinderopvangfonds zijn afkomstig uit het bedrijfsleven, de kinderopvangwereld en aanpalende sectoren. Zij hebben op persoonlijke titel zitting in het bestuur en vertegenwoordigen daarin dan ook geen andere organisaties. Het Kinderopvangfonds is eindig en heeft een tijdshorizon van ongeveer 10 tot 15 jaar. Het fonds is aangesloten bij de Vereniging van Fondsen in Nederland (FIN). Het Kinderopvangfonds wil bijdragen aan betere mogelijkheden voor kinderopvang in Nederland. Het Kinderopvangfonds richt zich op een optimale opvang- en opvoedingsomgeving voor kinderen.

www.hetkinderopvangfonds.nl

Taskforce Kinderopvang

De Taskforce Kinderopvang/ Onderwijs is een initiatief van de MO-groep Kinderopvang en het Kinderopvangfonds. De Taskforce bestaat verder uit belangrijke partijen in de kinderopvang, primair onderwijs, voortgezet onderwijs en werkgevers- en werknemersorganisaties. In het eindrapport uit 2010 is een toekomstvisie op duurzame kinderopvang in samenwerking met het primair- en voortgezet onderwijs geformuleerd.

http://www.hetkinderopvangfonds.nl/themas/overige_initiatieven/taskforce.html

Andere Tijden in Onderwijs en Opvang

Andere Tijden in Opvang en Onderwijs is een initiatief van VOS/ABB, de MO-groep Kinderopvang, het Kinderopvangfonds en BoinK. Andere Tijden informeert en ondersteunt scholen over andere schooltijden en het ontwikkelen van integrale kindcentra.

http://www.anderetijdeninonderwijsenopvang.nl/

Kopgroep Wethouders voor Kindcentra

De Kopgroep is een initiatief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het project Andere Tijden in Opvang en Onderwijs. Aan de basis van het initiatief liggen het rapport van de Taskforce Kinderopvang Onderwijs. Een groeiende groep wethouders sluit zich bij het initiatief aan en wil de lokale regie op zich nemen om vaart te maken met het integreren van peuterspeelzalen, kinderopvang en basisonderwijs.

http://www.vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/voorschoolse-voorzieningen/kopgroep-kindcentra

Kindcentra 2020

Kindcentra 2020 is een samenwerking tussen een kopgroep van bestuurders uit het primair onderwijs (het  Pettelaar Overleg), de kopgroep kinderopvang, de kopgroep Wethouders voor kindcentra en Het Kinderopvangfonds. Samen streven de partijen naar integrale voorzieningen voor alle kinderen (en hun ouders) van nul tot en met twaalf jaar.

http://www.kindcentra2020.nl/home

PACT

In het kwaliteitsproject PACT werken praktijk, wetenschap en beleid samen aan een sterke pedagogische omgeving voor jonge kinderen PACT investeert in de pedagogische omgeving van jonge kinderen door de kwaliteit van de pedagogische professionals van de toekomst te versterken. Het project gebruikt de expertise vanuit de kinderopvang en het onderwijs, met steun vanuit de zorg. Wetenschap en praktijk trekken samen op.

http://www.pedagogischpact.nl/