Wat is SBO & (V)SO?

Voor leerlingen met een beperking die het op de reguliere basisschool niet redden bestaat in Nederland het Speciaal Basisonderwijs (SBO) en het (Voortgezet) Speciaal Onderwijs ((V)SO). Door de invoering van Passend Onderwijs is het onderwijs voor leerlingen met een beperking aan het veranderen. Dit stelt eisen aan het onderwijs, maar ook aan de onderwijshuisvesting.

Deze themapagina wil informatie over het onderwijs voor leerlingen met een beperking ordenen en de verschillende aspecten toelichten. Het thema Speciaal Basisonderwijs en (Voortgezet) Speciaal Basisonderwijs is daartoe onderverdeeld in vijf deelthema’s.

  • Definitie & Feiten
  • Geschiedenis
  • Passend Onderwijs
  • Huisvesting
  • Bezoek SBO de Windroos

Definitie & Feiten

Voor leerlingen met een beperking die het op de reguliere basisschool niet redden bestaat in Nederland het Speciaal Basisonderwijs (SBO) en het (Voortgezet) Speciaal Onderwijs. Er wordt kort ingegaan op de definities van beide onderwijssoorten.

SBO

Het SBO is een combinatie van regulier basisonderwijs aangevuld met specifieke leer, gedrag- en opvoedingexpertise. Het SBO is er met name voor leerlingen met leerproblemen, gedragsproblemen en/of opvoedingsproblemen. De SBO-scholen hebben dezelfde kerndoelen als gewone basisscholen, maar de leerlingen krijgen meer tijd om deze kerndoelen te bereiken.

(V)SO

Het (V)SO biedt onderwijs aan leerlingen die specialistische en/ of intensieve begeleiding nodig hebben. Het (V)SO is onderverdeeld in vier clusters*. De clusters komen overeen met verschillende soorten beperkingen[1].

Met de invoering van Passend Onderwijs (zie ook het tabblad over Passend Onderwijs) is een tweedeling aan te brengen in de manier waarop deze clusters zijn georganiseerd:

  • De scholen voor cluster 1 en 2 zijn op landelijk niveau georganiseerd. Een landelijke commissie bepaalt of een leerling wordt geplaatst op een school voor cluster 1 of 2.
  • De scholen voor cluster 3 en 4 zijn op regionaal niveau georganiseerd. De scholen vormen samen met reguliere scholen en scholen voor basisonderwijs regionale samenwerkingsverbanden. Het samenwerkingsverband bepaalt of een leerling wordt geplaatst op een school voor cluster 3 of 4.

Cluster 1
Kinderen met een visuele beperking.

Cluster 2
Dove en slechthorende kinderen.
Kinderen met ernstige spraak/taalmoeilijkheden.
Kinderen met een stoornis in het autistisch spectrum waarbij de focus ligt op communicatie.

Cluster 3
Zeer moeilijk lerende kinderen.
Kinderen met lichamelijke én/of verstandelijke beperkingen.
Langdurig zieke kinderen.
Kinderen met epilepsie.

Cluster 4
Zeer moeilijk opvoedbare kinderen.
Kinderen met psychiatrische stoornissen of ernstige gedragsproblemen.
Langdurig zieke kinderen zonder een lichamelijke beperking.
Kinderen op pedologische instituten.

Feiten en Cijfers

In 2014 is het totaal aantal leerlingen in het Primair Onderwijs 1.565.500. Er gaan in totaal ongeveer 36.800 leerlingen naar het speciale basisonderwijs (SBO) en 31.000 naar het speciaal (SO) onderwijs. Naar het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) gaan circa 39.900 leerlingen.

graph1Figuur 1: Aantal leerlingen per onderwijssoort, weergegeven in logaritmische schaal (x 1000).

Trend

Het aantal leerlingen in het basisonderwijs is in vergelijking met 2002 gedaald. In het SBO is ook een daling te zien. Deze is relatief gezien sterker dan in het BO. Daarentegen laat het (V)SO een stijging zien. Een verklaring voor deze toename is te lezen in het tabblad ‘Geschiedenis’.

graph2Figuur 1: Relatieve toe- en afname van het aantal leerlingen per onderwijssoort sinds 2002.

[1] Clusters Speciaal Onderwijs, PO Raad (2012).

Geschiedenis

Het onderwijs voor leerlingen met een beperking kent een lange geschiedenis welke onlosmakelijk verbonden is met ontwikkelingen in de maatschappij. Er wordt ingegaan op de geschiedenis van het onderwijs voor leerlingen met een beperking vanaf het begin van de 20e eeuw.

1900-1950

Aan het begin van de twintigste eeuw waren voorzieningen voor leerlingen met een beperking sporadisch aanwezig. In 1896 was het eerste dagonderwijs voor ‘zwakzinnige kinderen’ (kinderen met het syndroom van down) in Rotterdam tot stand gekomen. Amsterdam volgde in 1898 met een eerste zelfstandige ‘school voor achterlijke kinderen’. Deze terminologie werd gebruikt omdat leerlingen enkele jaren ‘achter’ liepen op de leerstof. De negatieve connotatie van deze term leidde er in 1908 toe dat de aanduiding van deze scholen werd veranderd in ‘Scholen voor Buitengewoon Onderwijs’. Het criterium voor plaatsing van leerlingen in het buitengewoon onderwijs gebeurde op basis van medische criteria. Zwakzinnigheid werd gezien als een ziekte. Schoolartsen werden belast met de selectie van leerlingen voor de buitengewone scholen[1].

Tot 1920 ontstonden de buitengewone scholen door particuliere initiatieven. In 1920 trad de Wet op het Buitengewoon Onderwijs in werking. In deze wet werd voor het eerst gesproken over ‘buitengewoon lager onderwijs’ voor leerlingen ‘die wegens ziels- of lichaamsgebreken of uit maatschappelijke oorzaak niet in staat zijn geregeld en met vrucht gewoon onderwijs te volgen of wier gedrag het noodzakelijk maakt hun buitengewoon onderwijs te doen geven’. De Wet op het Buitengewoon Onderwijs en de daarbij behorende subsidiëring gold in eerste instantie alleen voor het zwakzinnigenonderwijs.

In de periode van 1920 tot 1950 werden steeds meer soorten scholen aan het buitengewoon onderwijs toegevoegd[2]:

  • 1923: scholen voor doofstommen, blinden en slechthorende leerlingen.
  • 1931: scholen voor psychopaten en de scholen voor lichamelijk gebrekkige.
  • 1949: scholen verbonden aan pedologische instituten en de scholen voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden.

Het groeiende aanbod van buitengewone scholen zorgde voor een explosieve toename van het leerlingenaantal: in 1938 telden alle buitengewone scholen samen 13.000 leerlingen, in 1950 50.000 en in 1986 maar liefst 106.000. Vooral het leerlingenaantal op scholen voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden groeide snel.

1950-1990

De groei van het buitengewoon onderwijs leidde al in de jaren ’70 tot kritiek op het toenmalige stelsel. Deze leidde tot een maatschappelijke discussie op drie thema’s[3]:

  • De maatschappelijke discussie over de hoog oplopende kosten van het stelsel voor de overheid.
  • De maatschappelijke discussie over het functioneren van het Nederlandse onderwijsstelsel omdat er zoveel leerlingen buiten het stelsel werden geplaatst.
  • De maatschappelijke discussie over de gevolgen van het selecteren van ‘buitengewone leerlingen’: de vraag was of de benaming ‘buitengewone leerling’ stigmatiserend werkte en in welke mate de plaatsing op een buitengewone school invloed had op de ontwikkeling van de leerling.

Tegelijkertijd kwam er een verandering in de manier waarop leerlingen werden geselecteerd voor de buitengewone scholen: het selecteren op basis van medische criteria werd vervangen door een pedagogisch model. Niet langer de gebreken, maar de mogelijkheden van leerlingen kwamen centraal te staan bij de plaatsing van kinderen op buitengewone scholen. De schoolarts maakte plaats voor psychologen en orthopedagogen.

In 1985 veranderde het onderwijs. De Wet op het basisonderwijs (WBO) werd ingevoerd. Met de WBO kwam het verschil tussen kleuteronderwijs en het lager onderwijs te vervallen. Daarnaast werd het buitengewoon onderwijs ondergebracht in een eigen wet, de ISOVSO (Interimwet op het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs). Het buitengewoon onderwijs ging nu ‘speciaal onderwijs’ heten. Onder de nieuwe wet waren de scholen voor speciaal onderwijs vrijwel autonoom in hun stichtings- en toelatingsbeleid. Dit leidde tot een verdere groei van verschillende soorten speciaal onderwijs en het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs[4].

Als reactie op deze ontwikkelingen is al vanaf begin jaren ‘90 een concrete beweging zichtbaar waarbij het speciaal onderwijs moet inkrimpen. Daarbij krijgen reguliere basisscholen steeds meer verantwoordelijkheid bij het bieden van onderwijs leerlingen met een beperking.

1990-2004

Stap 1: 1991 – Weer Samen Naar School
De eerste stap werd gezet met de invoering van het Weer Samen Naar School (hierna: WSNS) beleid in 1991[5]. De essentie van het WSNS-beleid was dat basisscholen, scholen voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM-scholen) en scholen voor moeilijk lerende kinderen (MLK-scholen) zorgvoorzieningen moesten inrichten voor leerlingen die binnen het reguliere basisonderwijs niet goed functioneerden. Daartoe werden alle basisscholen en de LOM- en MLK-scholen samen verdeeld in samenwerkingsverbanden.

Na enkele jaren bleek dat het WSNS-beleid onvoldoende resultaat opleverde. Scholen maakten geen gebruik van de mogelijkheden binnen het samenwerkingsverbanden om voorzieningen te treffen in het kader van een zorgbeleid. De verwijzing van leerlingen naar het speciaal onderwijs nam in totaliteit niet af. In 1995 werd daarom het initiatief genomen om het WSNS-beleid te actualiseren[6]. Op hoofdlijnen hield de actualisatie in dat iedere basisschool een zorgbudget ging ontvangen. Over de inzet van het zorgbudget werd gemeenschappelijk besloten in het samenwerkingsverband.

Stap 2: 1998 – Totstandkoming Wet op het Primair Onderwijs en de Wet op de Expertise Centra
De tweede stap is de invoering van de Wet op het Primair Onderwijs (hierna: WPO) en de Wet op de Expertise Centra (WEC) in augustus 1998.

De totstandkoming van de WPO is in feite de wettelijke vertaling van het (geactualiseerde) WSNS-beleid. Het betrof de samenvoeging van de wettelijke bepalingen voor het basisonderwijs en het speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM), moeilijk lerende kinderen (MLK) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (IOBK)[7]. Concreet betekende dit dat het toenmalige speciaal onderwijs voor LOM, MLK en IOBK in speciale scholen voor basisonderwijs (SBO) werd ondergebracht. De overige scholen voor speciaal onderwijs kwamen onder de WEC te vallen.

Stap 3: 2003- Leerling-gebonden financiering
De derde stap werd gezet met de implementatie van de ‘Leerling-gebonden financiering’ in 2003[8]. De leerling-gebonden financiering (LGF), ook wel ‘het rugzakje’ genoemd was nadrukkelijk voorbehouden aan gehandicapte leerlingen voor wie ook de verbrede zorg in het kader van WSNS niet voldoende was. Met dit budget konden ouders van leerlingen kiezen voor extra mogelijkheden voor begeleiding op een reguliere basisschool met of een school voor speciaal onderwijs.

2004-heden

In 2004 heeft een uitgebreide evaluatie plaats gevonden van het WSNS-beleid en het LGF-beleid. Deze brede evaluatie gaf inzicht in de samenhang tussen deze beleidsterreinen en het onderwijsachterstandenbeleid (OAB). De evaluatie bood tevens aanknopingspunten voor de toekomstige beleidsontwikkeling op de drie terreinen.

Op basis van deze evaluatie publiceerde de toenmalige minister van OC&W, van der Hoeven, begin 2005 de notitie ‘Vernieuwing zorgstructuren funderend onderwijs’. Deze notitie introduceert het begrip ‘zorgplicht’ voor schoolbesturen:

“De voorstellen die in de notitie vernieuwing worden gedaan, leiden tot een ingrijpende herziening van de organisatie van de speciale leerlingenzorg. Het huidige complexe regelstelsel voor speciale leerlingenzorg in het primair en voortgezet onderwijs wordt fors gedereguleerd. In plaats daarvan krijgen scholen en hun bestuur een “zorgplicht” om voor alle leerlingen een passend onderwijsarrangement aan te bieden. Tegelijk wordt de positie van ouders verbeterd. De notitie geeft de richting aan voor de nieuwe organisatie van de speciale leerlingenzorg” (van der Hoeven, 2005).

Dat een herziening van het systeem niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk was bleek in 2009. Het ministerie van OC&W constateerde dat het aantal leerlingen met LGF steeg van 11.000 tot 36.000 in 2008 terwijl het speciaal onderwijs in diezelfde periode een groei van 25% doormaakte[9]. Er was juist verwacht dat de LGF de omvang van het speciaal onderwijs zou laten afnemen.

De zorgplicht is daarom uitgewerkt en op 1 augustus 2014 als ‘Wet Passend Onderwijs’ in werking getreden. Passend Onderwijs wordt in een apart tabblad behandeld.

[1] 100 jaar orthopedagogiek en (speciaal) onderwijs, Brandsma & R. Keyman (2010). [2] Zorgenkinderen op school. Geschiedenis van het speciaal onderwijs in Nederland, 1900-1950, Graas, D. (1996). [3] Speciaal onderwijs voor moeilijke kinderen: van buitengewone scholen naar passend onderwijs, F. de Beer (2014). [4] Brede evaluatie WSNS, LGF en OAB, Ministerie van OC&W (2004) [5] Hoofdlijnennotitie ‘Weer Samen Naar School’, Ministerie van OC&W (1990) en ‘WSNS-akkoord’, Ministerie van OC&W (1991). [6] ‘WSNS: de volgende fase’, Ministerie van OC&W (1995). [7] Wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra, Memorie van Toelichting (1997). [8] Inwerkingtreding Wet leerlinggebonden financiering (LGF-wet) in het voortgezet onderwijs, Ministerie van OC&W (2003). [9] Nieuwe Koers Passend Onderwijs, Ministerie van OC&W (2010)

Passend Onderwijs

Passend Onderwijs is per schooljaar 2014/2015 ingevoerd. Het doel van Passend Onderwijs is om voor leerlingen met een beperking een ‘passende’ plek te vinden binnen het onderwijs. Aan de hand van vier centrale onderwerpen wordt Passend Onderwijs toegelicht[1][2].

Zorgplicht

De zorgplicht is het centrale element van Passend Onderwijs. De zorgplicht houdt in dat scholen ervoor moeten zorgen dat iedere leerling die zich bij hun school aanmeldt een passende onderwijsplek krijgt. Bij de uitvoering van deze zorgplicht, moet het schoolbestuur eerst kijken of de school zelf in staat is een passende onderwijsplek te bieden. Als de school geen passende plek voor de leerling kan bieden dan wordt gezocht naar een andere school. Is het niet haalbaar om de leerling binnen het basisonderwijs te plaatsen, dan kan een beroep op het SBO of het (V)SO worden gedaan.

Samenwerkingsverband

De zoektocht naar de juiste plek voor een leerling vindt plaats binnen het zogeheten ‘samenwerkingsverband’. In het Primair Onderwijs (hierna: PO) en het Voortgezet Onderwijs (hierna: VO) zijn in totaal 152 samenwerkingsverbanden opgericht (77 in het PO en 75 in het VO). In deze samenwerkingsverbanden werken het regulier basisonderwijs (BO), het speciaal basisonderwijs (SBO) en het (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) (cluster 3 en 4 – zie het tabblad ‘wat is speciaal onderwijs’) samen.

Onderwijsondersteuningsprofiel

Het samenwerkingsverband dient een dekkend aanbod aan onderwijs te realiseren. Om te inventariseren of het onderwijsaanbod dekkend verzamelt het samenwerkingsverband de ondersteuningsprofielen van scholen. Scholen zijn verplicht om een ‘ondersteuningsprofielen’ op te stellen. In het ondersteuningsprofiel legt het schoolbestuur ten minste eenmaal per vier jaar vast welke ondersteuning de school kan bieden aan leerlingen. Daarnaast verwoordt het ondersteuningsprofiel de ambities voor de toekomst. De leraren, de schoolleiding en het bestuur stellen samen het ondersteuningsprofiel op. Bij het uitvoeren van de zorgplicht vormen de ondersteuningsprofielen het uitgangspunt.

Financiering

Net als voor de invoering van Passend Onderwijs ontvangen alle scholen vanuit het Rijk de basisbekostiging per ingeschreven leerling. Aanvullend op de basisbekostiging is er een budget voor zware ondersteuning beschikbaar. Het samenwerkingsverband ontvangt dit aanvullende budget voor zware ondersteuning. Het aantal leerlingen in het samenwerkingsverband bepaalt de omvang van dit budget. Het samenwerkingsverband verdeelt het budget over de scholen. Een deel van de middelen gaat direct naar het (V)SO, op basis van het aantal leerlingen uit het samenwerkingsverband dat daar onderwijs volgt.

Door deze wijze van bekostiging heeft ieder samenwerkingsverband relatief evenveel geld voor zware ondersteuning. Dit is anders dan de situatie voor de invoering van Passend Onderwijs. Het budget werd verdeeld op basis van het aantal leerlingen met een indicatie voor zware ondersteuning.

De gelijke verdeling van middelen wordt de ‘verevening’ genoemd. Dit houdt in dat sommige regio’s/samenwerkingsverbanden zullen moeten bezuinigen (negatieve verevening), terwijl andere regio’s/samenwerkingsverbanden juist meer geld zullen krijgen (positieve verevening).

Omdat de verevening herverdeeleffecten met zich meebrengt, is er een overgangsregeling. Met deze regeling groeien regio’s in 5 jaar tijd (2015-2020) naar het nieuwe budget toe.

[1] Informatiepunt Passend Onderwijs, www.passendonderwijs.nl, Ministerie van OC&W (2015). [2] Steunpunt Passend Onderwijs, www.steunpuntpassendonderwijs.nl, Balans Digitaal (2015).

Huisvesting

Het onderwijzen van leerlingen met een beperking stelt niet alleen eisen aan het onderwijs, maar ook aan de onderwijshuisvesting. Daarnaast heeft de komst van Passend Onderwijs gevolgen voor de onderwijshuisvesting. Twee centrale ontwikkelingen in relatie tot het huisvesten van leerlingen met een beperking worden besproken.

Structuur: differentiatie in functies

Er komen steeds meer functies in het schoolgebouw. Met de komst van de brede school en de ontwikkeling richting Integrale Kindcentra (IKC – zie ook onze themapagina over IKC) worden kinderopvanginstelling (KOV), peuterspeelzalen (PSZ) en buitenschoolse opvang (BSO) gezamenlijk gehuisvest met scholen. In (V)SO en SBO scholen zijn bovendien ruimten voor zorgfuncties noodzakelijk. Met de komst van Passend Onderwijs kunnen ook zorgfuncties in reguliere basisscholen geplaatst worden.

De onderwijs- en zorgvisie van de school is leidend voor de positionering van de verschillende functies in het gebouw. Er zijn vijf functies te onderscheiden[1]:

  • Onderwijs: klaslokalen inclusief de eventuele werkplekken buiten de klas
  • Gemeenschappelijke ruimten: aula, speellokalen, gymzaal en ruimten voor KOV, PSZ en BSO.
  • Zorg: ruimten voor extra begeleiding en overleg (logopedie, ergotherapie fysiotherapie, verpleging en rustruimten).
  • Personeelruimten: directiekamer, administratieve ruimten, ruimte voor conciërge, lerarenkamer, vergaderruimte en spreekkamers.
  • Facilitaire ruimten: sanitaire voorzieningen, bergruimte en reproruimten.

De onderstaande modellen laten zien hoe al deze functies in een schoolgebouw geplaatst kunnen worden.

samenmodel

Lesruimten: differentiatie in onderwijs

Het principe van het onderwijzen in een vast lokaal en aan een vaste groep staat ter discussie[2]. De lesvorm moet beter worden afgestemd op de individuele onderwijsbehoefte van kinderen, om betere resultaten te behalen. Door Passend Onderwijs komen er meer kinderen met een beperking op een reguliere school. Dit zorgt voor een nog grotere diversiteit van leerniveaus in een klas.

Op ruimtelijk gebied moet de huisvesting geschikt zijn om deze nieuwe lesvormen te faciliteren. In kleine verschillende groepsgrootten moet lesstof worden aangeboden. Per groep wordt er naar een geschikte ruimtelijke setting gezocht. Het onderwijs moet door de fysieke ruimte ondersteund worden.

Bovendien stelt de aanwezigheid leerlingen met een zorgbehoefte op een school vergaande eisen aan de onderwijshuisvesting[1]. Deze eisen zijn van functionele, kwantitatieve en kwalitatieve aard. Denk bijvoorbeeld aan rolstoeltoegankelijkheid, lift, rust- en/of slaapruimten en MIVA toiletten.

[1] Samen! Passende huisvesting voor Passend Onderwijs. Fuchs, R. Harbers & R. Steltenpool (2012). [2] Opbrengstgericht differentiëren Primair Onderwijs. Boer, E. de, Hessing, R. & Loeffen, E. Veltman, H. (2013).
 

Bezoek SBO de Windroos

SBO de Windroos is een school voor speciaal basisonderwijs in het Westland. De Onderwijsinspectie is enthousiast over de school. De Windroos is door de Onderwijsinspectie bezocht op basis van het een pilot voor het vernieuwde toezicht[1]. De school is volgens de Onderwijsinspectie een excellente SBO-school. Wij zijn benieuwd naar het waarom.

Reden voor een gesprek met directeur Gé Biezeno en leerkracht Karin Zwinkels. Karin Zwinkels is tevens actief voor de “Werkgroep Kleuters in de Knel & Breinprocessen en Leergedrag”.

Breinleren, ouderbetrokkenheid en ondersteuningsprofielen

Wat maakt jullie SBO tot een excellente school? Gé Biezeno vertelt: “De Onderwijsinspectie is vooral enthousiast over het breinleren (de onderwijsmethode van de school), de hoge opbrengsten en de ouderbetrokkenheid. Daarnaast is er een professioneel team, dat zorgdraagt voor een sterk didactisch handelen in een respectvol schoolklimaat. Geen ingewikkelde dingen, maar wel zaken waar duidelijk behoefte aan is bij leerlingen.”

Oké, maar wat is dan breinleren en hoe creëert dat ouderbetrokkenheid? Karin Zwinkels legt uit wat breinleren[2] is: “Leerlingen die de leerstof niet bij kunnen houden worden vaak gezien als leerlingen met leerproblemen. Het onderwijs probeert deze leerproblemen vervolgens via een gestandaardiseerde manier te verhelpen. Dit houdt geen rekening met het feit dat leerlingen op verschillende manieren kunnen leren. Het breinleren redeneert andersom. Leeractiviteiten worden juist afgestemd op de behoefte van de leerling. Zodoende wordt niet het gevolg (leerproblematiek) maar de oorzaak (de manier van leren) aangepakt. Het onderwijs is daarmee niet alleen een lesvorm, maar ook een onderzoek naar de factoren die bepalen of leerlingen optimaal in staat zijn om te leren. Door het ontdekken van deze factoren, en het beïnvloeden van deze factoren komen leerlingen beter aan leren toe. In feite scheppen we de juiste randvoorwaarden voor het leerproces. De persoonlijke manieren om te leren worden teruggekoppeld aan ouders zodat deze ook worden toegepast in de thuissituatie. Dit zorgt voor de ouderbetrokkenheid waar de Onderwijsinspectie veel waarde aan hecht”

Gé Biezeno benadrukt het belang van ontwikkelingsperspectieven “Hierdoor is er meer aandacht voor de didactische en pedagogische onderwijsvoortgang van leerlingen. We willen vooral zorgen dat een kind zich weer goed voelt. Dit leidt tot hogere resultaten. Het ondersteuningsprofiel brengt voor iedere leerling in beeld wat hij/zij kan bereiken. Niet langer staan de beperkingen, maar de mogelijkheden van een leerling centraal. We gaan uit van de behoeften, talenten en kansen van een leerling.”

SBO de Windroos wil het ontwikkelingsperspectief zo doorontwikkelen dat leerlingen worden betrokken bij hun eigen leerproces. “Door een leerling het eigen ontwikkelingsperspectief mede in te laten vullen wordt een leerling verantwoordelijk voor de eigen ontwikkeling. Deze zelfsturing verwacht een maatschappij van haar burgers.” zegt Gé Biezeno.

Visie op de toekomst van het SBO

Hoe zien Gé Biezeno en Karin Zwinkels de toekomst van het SBO? Gé Biezeno: “Het SBO krijgt steeds meer te maken met leerlingen met een complexe problematiek. In die zin gaan de leerlingen van het SBO en het SO steeds meer op elkaar lijken. Het clusteren van SBO en SO in een orthopedagogisch en didactisch centrum (OPDC) zou daarom een goed idee zijn. Hierdoor wordt de expertise verbreed en zijn we veel beter in staat om kinderen op te vangen die niet in het basisonderwijs terecht kunnen.

Persoonlijk zou ik zelf graag zien dat we onderwijskundig én gebouwelijk naar een OPDC toe groeien. Er is een heldere visie nodig. Met het hele onderwijsveld moeten we onze belofte nastreven: geen kind het Westland uit”.

[1] Voor extra uitleg over het vernieuwde toezicht: https://www.youtube.com/watch?v=-gU58xZDpVU
[2] Voor extra uitleg over breinleren: http://www.breinprocessenleergedrag.nl/